Wat betekent het pensioenakkoord voor zelfstandigen?

De Sociaal Economische Raad heeft op 5 juni 2019 een voorlopig pensioenakkoord tussen werkgevers en werknemers gepresenteerd. Onderdeel van het pensioenakkoord is de verplichte verzekering voor zelfstandigen. Hoe zit dat eigenlijk? Als zelfstandige ben ik zelf aangesloten bij een Broodfonds, een goed alternatief voor de peperdure arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De BroodfondsMakers zetten een en ander op een rijtje.

Wie wil de verplichte verzekering voor zelfstandigen?

De verplichte verzekering is er vooral op aandringen van FNV, GroenLinks en PvdA. Hun argument hiervoor is de grote hoeveelheid onverzekerde zelfstandigen, die bij ziekte misschien ooit aanspraak kunnen maken op collectieve middelen (bijstand). Nog een argument voor verplichting is dat zelfstandigen alleen zonder ziektepremies goedkoper kunnen zijn dan mensen die in loondienst premies afdragen. Dat zou oneerlijke concurrentie zijn.
Wie het vaste contract als hoogste doel beschouwt, ziet het duurder maken van zelfstandigen via een verplichte verzekering als een oplossing.

Hoe moet dat dan?

Hoe zo’n verplichte verzekering eruit moet zien en wie er op de uitvoering gaat toezien is nog open. De komende maanden moeten de sociale partners in de SER (werkgevers en werknemers) hiervoor een plan gaan uitwerken. Dat moet nadrukkelijk gebeuren in samenspraak met organisaties die de belangen van zelfstandigen behartigen. Het kabinet wil dat de sociale partners voor de zomer 2020 een plan presenteren aan de Tweede Kamer.

Uit het concept akkoord:

3.4 Arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
Er komt een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Het doel van deze verzekeringsplicht is om naast de bestaande werknemersverzekering ook andere werkenden te beschermen tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid en te borgen dat iedereen zich kan verzekeren. Dit past in het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden. Met een verplichte verzekering wordt ook afwenteling van kosten en risico’s op de samenleving verminderd.
Het kabinet vraagt sociale partners om hiervoor in overleg met vertegenwoordigers van zelfstandigenorganisaties in het begin van 2020 een uitvoerbaar en EMU-saldo neutraal voorstel uit te werken dat betaalbaar en voor iedereen toegankelijk is, met het oog op een kabinetsvoorstel voor de zomer van 2020. Het kabinet hecht hierbij aan de balans tussen het tegengaan van schijnzelfstandigheid en zorgen dat echte zelfstandigen ruimte hebben om gewoon hun werk te kunnen doen en hun ondernemerschap in te vullen. Het kabinet vraagt daarom of het in de rede ligt en uitvoerbaar is om een uitzondering voor deze verplichting te laten gelden, bijvoorbeeld als sprake is van beter passende arrangementen, zoals bijvoorbeeld in de agrarische sector gangbaar is.

Opt-out?

Er wordt dus nu al rekening gehouden met het gegeven dat sommige groepen onder voorwaarden niet mee hoeven te doen aan deze verplichte verzekering. Dus dan kunnen Broodfondsen misschien ook onder zo’n zogenaamde opt-out mogelijkheid vallen. Maar op dit moment is er nog helemaal niets duidelijk en kan niemand daar iets zinnigs over zeggen.

Basisverzekering?

In een aantal reacties op de plannen (niet in de plannen zelf) wordt gesproken over een basisverzekering voor blijvende arbeidsongeschiktheid (na twee jaar) waarbij iedereen moet worden geaccepteerd. Kortlopende arbeidsongeschiktheid, het Broodfonds dekt dat, valt hier buiten.
In dat geval blijft deelname aan een broodfonds natuurlijk zinvol. Maar zoals gezegd: nog niets is duidelijk.

Politieke standpunten

De BroodfondsMakers hebben afgelopen maanden gesprekken gevoerd met politieke partijen naar aanleiding van nieuwsberichten over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. We hebben overal duidelijk gemaakt dat Broodfondsleden niet op zo’n verplichting zitten te wachten en liever zelf bepalen hoe ze hun risico afdekken. En als het toch tot een verplichting komt, vroegen we de kamerleden, zorg dan voor een op-out regeling voor mensen die zelf al wat geregeld hebben.

Langdurige arbeidsongeschiktheid

De politiek kan zich beter buigen over een goed vangnet voor alle arbeidsongeschiktheid die langer dan twee jaar duurt. De eerste twee jaar is voor de meeste zelfstandigen zelf goed te regelen via Broodfonds, aov of spaargeld. Juist die blijvende arbeidsongeschiktheid is voor een grote groep zelfstandigen überhaubt niet te verzekeren. Een collectieve regeling voor alle werkenden, zelfstandig of in loondienst, met acceptatieplicht zou een veel beter plan zijn. En eerlijker.

Uitvoering en toezicht

Nog een probleem met een verplichte regeling wordt de uitvoering. Het Verbond van Verzekeraars heeft al aangegeven dat zij de verplichte verzekering voor zelfstandigen niet kunnen en willen uitvoeren. Het UWV dat arbeidsongeschiktheid van werknemers vaststelt en uitkeringen toekent heeft er de capaciteit niet voor: er komen recent veel fouten en misstanden bij UWV naar buiten.

Verkiezingen 2021

Voorlopig zal er helemaal niets veranderen. Er wordt komend jaar veel overlegd. In de zomer van 2020 kan er wel meer duidelijkheid zijn over de plannen. Maar voordat een wet voor verplichte verzekering er ligt, zijn we zo een paar jaar verder. De SER-partners moeten zelf eerst nog akkoord geven, daarna moet de Tweede Kamer het eens zijn en tenslotte moet ieder wetsvoorstel nog ook door de kritische Eerste Kamer worden goedgekeurd. Zelfs als er volgend jaar rond zomer al een eerste plan ligt, dan is het maar de vraag of zo’n nieuwe wet rond is voor de Tweedekamerverkiezingen van medio 2021. En die kan alles weer veranderen.

Wat kun je zelf als Broodfondslid doen?

Deze verplichte verzekering is bedacht zonder zelfstandigen te betrekken bij de afwegingen. Dat was eenvoudig, want er bestaat geen belangenbehartiging voor zelfstandigen zoals voor werkgevers en werknemers. Wat je standpunt ook is: breng het naar voren. Je kunt je op belangrijke momenten mening geven en je eigen partij bevragen over hun standpunt, zodat politici zich gaan realiseren dat zij naar ondernemers moeten luisteren. Er zijn al een aantal initiatieven en petities die de verplichte verzekering nog willen beinvloeden. De BroodfondsMakers zijn geen belangengroep, maar wij zullen wel de belangen van Broodfondsleden benoemen waar dat kan. We zullen bij allerlei beleidsmakers heel duidelijk blijven aangeven dat de Broodfondsen mogelijk moeten blijven. We zullen blijven uitleggen dat een innovatieve en solidaire oplossing zoals het Broodfonds steun en ruimte verdient.

De Eerste Kamer stemt in met de Arbeidsmarktwet

Na de Tweede Kamer, heeft ook de Eerste Kamer ingestemd met de nieuwe Arbeidsmarktwet. Daardoor verandert een aantal belangrijke zaken op de arbeidsmarkt vanaf 2020. 

Wat zaken op een rijtje.

Aan het begin van deze regeerperiode beloofde deze coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie de arbeidsmarkt te veranderen.

Volgens deze partijen was het voor werknemers steeds moeilijker geworden een vast contract te krijgen omdat werkgevers huiverig waren voor de kosten en risico’s. Tegelijkertijd zijn werknemers met een vast contract, flexwerkers (payrolling, uitzendkrachten, tijdelijke contracten) en zelfstandigen concurrenten van elkaar geworden omdat er via de verschillende arbeidsvormen manieren worden gevonden om de lonen laag te houden.

Kortom: vast is te vast en flex is te flex, vindt het kabinet.

Aan minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) de taak hier verandering in te brengen.

Vast wordt minder vast

Om een vast contract toegankelijker te maken, heeft Koolmees het ontslagrecht versoepeld. Dat moet de angst bij werkgevers wegnemen dat zij niet meer van werknemers afkomen als er een onwerkbare werksituatie ontstaat.

In de oude situatie kon je alleen ontslagen worden op basis van een van de acht ontslagredenen (ontslaggronden in jargon). Nu mag een werkgever verschillende redenen optellen. Bijvoorbeeld verwijtbaar handelen van de werknemer gecombineerd met onvoldoende functioneren en een verstoorde arbeidsverhouding.

Lagere ontslagvergoeding

De opbouw van de ontslagvergoeding (transitievergoeding in jargon) voor werknemers die wat langer in dienst zijn wordt verlaagd. Vanaf 2020 heeft iedere werknemer recht op een derde maandsalaris per gewerkt jaar. De gouden handdruk was in de vorige wet al geschrapt, dat is niet veranderd.

Minder snel vast contract

De periode waarin werkgevers maximaal drie tijdelijke contracten mogen geven (ketenbepaling in jargon), wordt verlengd van twee naar drie jaar om toch nog enige vorm van flexibiliteit te geven om onregelmatig werk beter op te kunnen vangen. Ook krijgen werkgevers zo wat langer de tijd om te kijken of zij een vast contract willen aanbieden.

Voor het onderwijs wordt hierop een uitzondering gemaakt omdat daar vaak wordt gewerkt met invalkrachten.

De verplichte pauze van zes maanden tussen tijdelijke contracten wordt voor sommige sectoren verkort naar drie maanden. Dat komt bijvoorbeeld van pas bij seizoenwerk.

Flex wordt minder flex

Werknemers zullen hier weinig van merken, maar voor werkgevers is dit een belangrijk wijziging: de werkloosheidspremie (WW-premie) wordt hoger voor werknemers met een tijdelijk contract en goedkoper voor vaste contracten.

De hoogte van deze premie was afhankelijk van de sector waarin het bedrijf zit.

Verandering voor payrollers

Werknemers die via een payrollbedrijf werken, zullen wel verandering zien. Vanaf volgend jaar moeten zij minstens net zoveel betaald krijgen als hun collega’s van het bedrijf waar zij voor werken. Dat geldt ook voor de pensioenregeling die zij dan krijgen.

Door de arbeidsvoorwaarden van payrollers en werknemers met een contract gelijk te trekken, moet het niet meer mogelijk zijn dat deze twee groepen onbedoeld met elkaar concurreren.

Payrolling helemaal verbieden was voor Koolmees geen optie omdat sommige, vooral kleine, bedrijven de dienst nog goed kunnen gebruiken. Het mag alleen geen besparingsmiddel meer zijn.

Direct ontslagvergoeding

Werknemers krijgen vanaf de eerste dag dat zij in dienst zijn, met een vast of tijdelijk contract, recht op een ontslagvergoeding. In de huidige situatie bouwen werknemers pas vanaf twee jaar die rechten op.

Voor oproepkrachten geldt dat zij ministens vier dagen van tevoren moeten worden opgeroepen voor werk. Wordt het werk in die vier dagen alsnog afgezegd, hebben zij alsnog recht op het loon. Zo hoopt Koolmees dat oproepkrachten niet continue verplicht paraat moeten staan voor hun werkgever.